051. Bijbelstudie over de
MESSIAANSE
PSALMEN - TEHILIM M’SHICHI’IM
,yyxy>m ,ylht
Dit is reeds het vijfde en tevens
laatste deel van een serie bijbelstudies over de Messiaanse Psalmen, die
allemaal heenwijzen naar de Mashiach als de
Koning der koningen, de Lijdende Knecht en Verlosser, de Profeet, de
Koninklijke Priester, de Zoon van G’d, de Volmaakte Mens en de Rechter bij Zijn
Wederkomst. In de vorige drie afleveringen bestudeerden wij de eerste zestien
verzen van Psalm 22, die ook wel de
lijdenspsalm genoemd wordt omdat hij veel overeenkomsten met Jesaja 53
vertoont. In deze studies bracht ik ook nadrukkelijk naar voren het erg jammer
te vinden dat de Joodse orthodoxie zich tegen deze uitleg blijft verzetten en
in alle toonaarden ontkent dat dit een Messiaanse Psalm zou zijn en hem
derhalve enerzijds in de meest letterlijke, dus niet profetische betekenis
toepast op David, die volgens deze
interpretatie slechts over zichzelf praat en anderzijds in de rabbijnse
literatuur en met name in de Mishna en de Gemara ook op Esther
betrekt. Zeer terecht werd ik in verband met deze
houding op het feit gewezen dat Israël tot nu toe Yeshua niet in meerderheid als Messias heeft willen erkennen en
dat ik gezien die afwijzing dan ook niet mag verwachten dat men meegaat in een
christelijke duiding van de Psalm, maar dat Psalm 22 daarmee toch niet
betekenisloos is geworden voor traditionele Joden, zeker niet, en gelukkig
niet, want het wezenlijke punt ligt immers daarin dat de betekenis van een tekst
niet los staat van de hoorder of lezer. Als je een tekst leest dan lees je die
altijd vanuit je eigen ervaring, in je eigen context. Dat is zeer zeker waar.
De betekenis van een tekst staat inderdaad niet los van de hoorder of lezer, en
dat geldt uiteraard niet alleen voor een bepaalde tekst uit de psalmen, maar
voor de hele bijbel. Toch zijn het met name de psalmen waaruit de meeste mensen
kracht putten omdat zij zo uit het leven gegrepen zijn en iedereen zichzelf
daarin met David kan identificeren. Iedereen
heeft wel een andere psalm die hij of zij op zijn of haar persoonlijke situatie
kan toepassen, zowel individueel alsook collectief zoals m.b.t. het Joodse
volk. Kortom, dat een psalm voor iedere lezer of hoorder een speciale heel
persoonlijke betekenis kan hebben zal ik nooit ontkennen, maar juist bevestigen
omdat ook ikzelf i.v.m. de ziekte en het overlijden van mijn zoon Siegfried
veel kracht en troost kon vinden in Psalm 121, met name vers 2, die bovendien
deel uitmaakt van het Kaddisch-gebed. Niet voor niets maken toepasselijke psalmen deel uit van de
gebeden voor de zieken, de stervenden en voor de uitvaart, maar ook bij andere
gelegenheden in het Joodse leven. Psalm 90 wordt op verjaardagen gelezen.
Natuurlijk paste ook David
de psalmen op zijn eigen situatie toe, hij was immers de auteur, maar dat wil
nog niet zeggen dat zij niet ook een profetisch gehalte zouden hebben met een
heenwijzing naar de Mashiach. Verder vind ik het ook heel begrijpelijk en
terecht dat er in de traditioneel-joodse uitleg Psalm 22 gelezen wordt als een
psalm voor Esther. Ik kan mij inderdaad
goed voorstellen dat dit past en dat heb ik in deel 4 van deze bijbelstudie ook
bevestigd, want zowel David
alsook Esther zijn beiden
daadwerkelijk in benauwdheid en ellende geweest en omringd door vijanden, maar
veel van de bijzonderheden, die in deze Psalm heel gedetailleerd genoemd zijn,
hebben nooit plaats gevonden in het leven van David en zeker niet in het leven van Esther en sowieso niet in
dezelfde chronologische volgorde, wat in het lijdensverhaal van Yeshua daarentegen wel
degelijk het geval is geweest. Kortom, ik ben zeer zeker van mening dat de
psalmen door iedere lezer (inclusief Esther!!!) op zijn of haar eigen situatie betrokken kunnen
en mogen worden, maar dat staat in deze studiereeks ook helemaal niet ter
discussie. Waar ik wel over val is de stelselmatige ontkenning van de huidige
rabbijnen dat het boek der psalmen in zijn geheel geen profetische teksten
zouden bevatten, die heenwijzen naar de Mashiach. Daar ben ik het beslist niet mee
eens en ook de oude rabbijnen in vroegere tijden dachten daar anders over en
daarom citeerde ik met
name in het vierde deel van deze studiereeks talrijke teksten uit rabbijnse
geschriften waaruit blijkt dat de rabbijnen uit de oudheid wel degelijk de
bewuste Psalm 22 toepasten op de lijdende Mashiach Efrayim, de Mashiach Ben Yosef en hem derhalve als
Messiaanse Psalm erkenden. Daarom spreek ik ook niet over een
"joodse" weigering om de psalmen zo te lezen, maar slechts over de
afwijzende houding vanuit de hedendaagse orthodoxie. Deze controverse komt
bijzonder scherp naar voren met betrekking tot vers 17 ofwel in de Hebreeuwse
grondtekst vers 16, die in Joodse uitgaven zelfs volstrekt anders vertaald is
dan in de gebruikelijke christelijke vertalingen het geval is. Laten we eerst
even kijken hoe die in de NBG-vertaling staat:
Vers 17: “Want honden hebben
mij omringd, een bende boosdoeners heeft mij omsingeld, die mijn handen en
voeten doorboren.”
Eeuwenlang
werd deze tekst terecht in bijna alle christelijke bijbelcommentaren op de
kruisiging van Yeshua toegepast, want het doorboren van handen en voeten wijst
rechtstreeks naar de spijkers waarmee Yeshua aan het kruis werd genageld. Ik zal even een aantal
vertalingen van dit vers de revue laten passeren: Statenvertaling: “Want
honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven;
zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven.” -
Willibrordvertaling: “De honden staan al om mij heen, een meute boosdoeners
heeft mij omsingeld, ze hebben mijn handen en voeten doorboord.”
- Lutherse vertaling: “Want honden hebben mij omringd en een rot van
boosdoeners heeft zich rondom mij gevoegd; zij hebben mijne handen en voeten doorgraven.”
- Groot Nieuws Bijbel: “Mijn vijanden hebben mij omsingeld, die honden sluiten
mij in, ze snoeren mij vast aan handen en voeten.” Hier missen wij weliswaar
het “doorboren” of “doorgraven”, maar het is nog steeds een werkwoord dat
eveneens naar de kruisiging heenwijst, want voordat de spijkers in handen en
voeten werden geslagen, werden dezen namelijk eerst met touwen vastgebonden.
Dus deze vertaling is niet in strijd met de andere vertalingen. Ook de Leidse
vertaling komt op hetzelfde neer: “Want honden hebben mij omsingeld, een
bende boosdoeners houdt mij ingesloten, zij hebben mijn handen en voeten belemmerd.”
Zowel het vastbinden alsook het vastspijkeren heeft Zijn handen en voeten
belemmerd. Dus ook deze vertaling klopt precies. In de Joodse vertalingen staat
echter iets heel anders, want in plaats van “die mijn handen en voeten
doorboren, doorgraven, vastsnoeren of belemmeren” kiezen de Joodse
vertalers voor de zinsnede: “Als een leeuw mijn handen en
voeten”. In plaats van een werkwoord gebruiken zij dus het zelfstandig
naamwoord “leeuw”. Dat is nogal een groot verschil!
Op een
Joodse orthodoxe website wordt dit verschil in vertaling en opvatting met zeer
scherpe woorden en op een bijzonder vijandige manier naar voren gebracht. Ik
citeer: “Om het wat echter te maken heeft het christendom de beruchte
vervalsing erin gestopt betreffende het ‘doorboren van handen en voeten’. Ze
zeggen: ‘Kijk, hier is de kruisiging, voorspeld in de Psalmen!’ Punt 1: Het
staat nergens geschreven dat de handen en voeten van de messias doorboord
zouden worden. Zoals ik al zei: Dit Psalm gaat over koning David, en dat in de
verleden tijd. Daarbovenop: Er is niet zo iets als: ‘Zij doorboren mijn handen
en voeten’. Het Hebreeuwse woord dat hier vertaald is als ‘doorboren’ is ‘ka'ari’. Er is geen woord
dat ook maar in de buurt komt van ka'ari dat doorboren betekent. Om dit een foute vertaling te
noemen is te eufemistisch, we moeten dit benoemen als wat het is: De zoveelste
christelijke corruptie van hun bijbelvertalingen ten einde JC er in te kunnen
projecteren. Het woord wat er het dichtste bij komt is ‘kara’, maar het is
onmogelijk om dat hier in te lezen, want dat is grammaticaal gezien totaal
onmogelijk. En afgezien daarvan, ‘kara’ betekent niet ‘doorboren’, maar ‘opgraven’, ‘van de grond
omhoog brengen’, in de zin van ‘opdelven’. Het Hebreeuwse voorzetsel 'ka' betekent 'als de', en 'ari' betekent 'leeuw'. Dus
wat hier staat is: ‘Als de leeuw [zijn zij aan] mijn handen en voeten.’
De tekst tussen de vierkante haken is mijn invoeging, waarbij opgemerkt dient
te worden dat het werkwoord 'zijn' in de tegenwoordige tijd in het Hebreeuws
zelden of nooit gebruikt wordt, het wordt aangenomen dat het bedoelt is, en het
bijbels Hebreeuws is geschreven in een soort telegramstijl, waarbij vaak
woorden ingelast moeten worden om er een goede vertaling van te maken. Dus
koning David
spreekt over een leeuw, en niet over het doorboren van handen en voeten.
Dezelfde leeuw waar hij over spreekt in vers 13 en 21. Ook de moderne
bijbelvertalers vertalen dit vers verkeerd. Ik heb maar 1 christelijke
bijbelvertaling kunnen vinden die dit correct vertaald, en dat is de Nieuwe
Wereld Vertaling van de J-H-V-H getuigen: "Als een leeuw [hebben zij
het gemunt op] mijn handen en mijn voeten." Maar de moderne
Engelstalige bijbelvertalers hebben in elk geval het fatsoen om te vermelden
dat er in de Hebreeuwse tekst niet zo iets is als 'het doorboren van handen en
voeten'. Mijn uitgave van de Revised Standard Version heeft een voetnoot bij
het woord ‘pierced’ (doorboord) in vers 16, het zegt daar: ‘Greek, Syriac,
Jerome; Hebrew: like a lion’. Dat betekent dat de vertalers het woord
'doorboord' halen uit de oude Griekse vertaling, de Septuaginta, uit de
Syrische vertaling, en uit de Vulgata, de katholieke vertaling van de bijbel in het Latijns,
gemaakt door Hieronymus op het verzoek van paus Damascus in het jaar 328. Maar dit: 'Hebrew: like a lion' betekent
dat ze toegeven dat er in het Hebreeuws geschreven staat: 'Als een leeuw'. Hier is de voetnoot van
de New American Standard Bible Update (1995): ‘Another reading is Like a lion,
my...’ - De voetnoot van de English Standard Version: ‘Some Hebrew manuscripts,
Septuagint, Vulgate, Syriac; most Hebrew manuscripts like a lion [they are at]
my hands and feet.’ - De voetnoot van de New King James Version: ‘Following
some Hebrew manuscripts, Septuagint, Syriac, Vulgate; Masoretic Text (dit is de
traditioneel Joodse Hebreeuwse tekst) reads Like a lion.’ En hier is de voetnoot
van de New International Version: ‘Some Hebrew manuscripts, Septuagint and
Syriac; most Hebrew manuscripts: Like the lion.’ - Hier is waar die vertalingen met voetnoten nagekeken kunnen
worden: http://bible.gospelcom.net/bible. Wat de bijbelvertalers dus doen in Psalm 22 is het
negeren van de Hebreeuwse grondtekst van de bijbel, en in plaats daarvan
vertalen ze vertalingen, want dat past beter in het christelijke straatje.” Tot
zover het citaat van de orthodox-Joodse website www.geocities.com/bergZion/Psalm22.htm, die duidelijk tot doel heeft om de lezers ervan te
overtuigen dat Yeshua niet de Messias zou zijn.
Natuurlijk
heb ik deze argumenten nauwkeurig onderzocht en daarbij ook de Hebreeuwse
grondtekst onder de loep genomen en daarbij kwam ik tot enkele zeer
opmerkelijke ontdekkingen, die ik hier graag met u zou willen delen. Laten wij
dus beginnen met de Masoretische Tekst, die in elke Joodse uitgave van de TeNaCH en de Chumash toegepast wordt.
Hier staat inderdaad:

“Ki
s’vavuni k’lavim odat m’re’im hiqifuni ka’ari yadai v’rag’lai.”
Of ik
het nou leuk vind of niet, het is helaas wel een feit dat in deze Hebreeuwse
tekst duidelijk het woordje yrak ka’ari staat, hetgeen daadwerkelijk “als een leeuw”
betekent, want precies hetzelfde woord met dezelfde spelling kwam ik toevallig
afgelopen Shabat
in rbdmb B’mid’bar [Numeri] 24:9
tegen bij het lezen van de Parasha qlb
Balaq in de passage: “Hij gaat liggen als
een leeuw”. Dus geen twijfel mogelijk, yrak
ka’ari betekent inderdaad “als een leeuw”
en niet “doorboren”. Maar nu hebben we een probleem. Hebben de rabbijnen
uiteindelijk toch gelijk dat dit vers uit Psalm 22 niets te maken heeft met een
kruisiging? Hebben alle bovengenoemde christelijke vertalingen het aan het
verkeerde eind? Als men uitgaat van het woordje ‘ka’ari’ in de Masoretische Tekst dan
klopt het inderdaad dat dit “leeuw”, dus een zelfstandig naamwoord, zou
moeten zijn. Maar is de Masoretische Tekst, die in Joodse kringen autoriteit
gekregen heeft en nog steeds als standaard gebruikt wordt wel altijd en overal
echt betrouwbaar? Mogen wij de Masoretische Tekst wel beschouwen als de
Hebreeuwse grondtekst waarop elke vertaling zich zou moeten baseren? Het
antwoord is in beide gevallen: neen! Ten eerste is de Masoretische tekst niet
de grondtekst omdat de oorspronkelijke handschriften geen klinkertekens hadden
en ten tweede is hij ook niet altijd betrouwbaar omdat men enerzijds rekening
moet houden met de reële mogelijkheid dat er onbedoelde schrijffouten zijn
binnengeslopen en anderzijds omdat de Masoretische Tekst tot op zekere hoogte
op de persoonlijke interpretatie van de Masoreten berust, met name bij woorden
waarmee men twee kanten kan opgaan. De Masoreten ofwel “overleveraars” waren
Middeleeuwse Joodse geleerden, die de TeNaCH voor een juiste uitspraak voorzagen van klinker- en
voordrachttekens, de zogenaamde niqud en te’amim. Gedurende de laatste twee eeuwen voor de gewone
jaartelling gingen de Joden in hun land meer en meer Aramees spreken en raakte
het Hebreeuws dus steeds meer in onbruik. De rabbijnen daarentegen bleven het
Hebreeuws echter wel redelijk beheersen, maar zij maakten zich toch zorgen over
de juiste uitspraak en daarmee ook interpretatie van de tekst omdat het
Hebreeuwse schrift toch wel een medeklinkerschrift is. Talrijke woorden hebben
namelijk de zelfde woordstam en zien er precies hetzelfde uit. Het verschil zit
nou juist in de klinkers die er in het oude alfabet niet bestaan. Er werd
daarom door de Masoreten een systeem ontwikkeld van uitspraaktekens, bestaande
uit puntjes en streepjes, die onder en boven de medeklinkers geschreven werden.
Dit systeem werd uiteraard ook op de TeNaCH toegepast, die naar de samenstellers ervan Masoretische
tekst genoemd werd. Zo ontstonden er diverse manuscripten van de Masora totdat er in de
tiende eeuw van de gewone jaartelling de definitieve versie van de aldus
‘gepunctueerde’ tekst in Tiberias werd vastgelegd door Ben Asher en Ben Naftali. Zo kwam toen
de Masoretische tekst definitief tot stand en werd voortaan gestandaardiseerd
overgeschreven voor de Joodse traditie tot op de huidige dag. De Masoreten
wilden echter dat men soms iets anders las dan wat er stond zoals bijvoorbeeld
bij de vierletterige Naam het geval is en daarom vervingen zij het bytk ketiv (dat wat geschreven
is) door het yrq qeri
(dat wat men moet lezen). Uit respect voor de tekst vervingen zij echter de
consonanten niet. Die lieten ze intact. Wel zetten ze er de vocaaltekens bij
van het te lezen woord, waarvan ze de consonanten in de marge noteerden. Ya’aqov Ben Chaim, die in
het jaar 1526 te Venetië de Biblia Rabbinica in de Masoretische tekst uitgaf, verklaarde dat hij in een
aantal van de nauwkeurigste ketiv-teksten het geschreven “karu” [doordrongen] heeft gevonden, dat echter als “ka’ari” [als een leeuw] in
de Masoretische tekst werd weergegeven. De Masora
G’dola op rbdmb
B’mid’bar [Numeri] 24:9 verklaart dat in Tehilim 22 de ketiv-lezing “karu” [doordrongen] was. In
sommige manuscripten staat onder de sluit-yod van “ka’ari” [als een leeuw] derhalve een qrv> shuruq, de drie diagonale
puntjes die de uitspraak van een “oe”-klank weergeven. Maar wat wil deze
“oe”-klank zeggen? Betekent dit soms dat er aan het einde van dit woord in
plaats van een “i” eigenlijk een “oe” zou moeten staan? Daar zal ik straks nog
uitgebreid op ingaan. Maar terug naar de vraag of de rabbijnen nu toch wel
gelijk hebben dat er in Psalm 22 geen sprake kan zijn van een doorboren van
handen en voeten omdat in het bewuste vers geen werkwoord te vinden is dat
daarmee in verband gebracht kan worden. Wel, als men uitgaat van het woordje ‘ka’ari’ in de Masoretische
tekst dan klopt het inderdaad dat dit “leeuw”, dus een zelfstandig
naamwoord, zou moeten zijn. Dat is correct, maar toch zijn er ook hele sterke
aanwijzingen in zowel Griekse en Latijnse, alsook in Aramese en zelfs in
Hebreeuwse bronnen, die een Nederlandse vertaling met het werkwoord “doordrongen”
in Psalm 22:17 ondersteunen. Dit bewijsmateriaal vinden wij 1) in de Septuaginta, de Griekse
vertaling van de TeNaCH, 2) de bekende Joodse vertaler Aquila, die eveneens een
werkwoord gebruikte en niet “leeuw”, 3) de Vulgata, die door Hieronymus vanuit het
Hebreeuws in het Latijn werd vertaald, 4) de Syrische Peshita en 5) sinds 1947 ook
de Dode-Zee-Rollen, met name de Nachal-Chever-Rol. Aan de hand van dit bewijsmateriaal zal ik u laten
zien dat „als een leeuw“ een dubieuze lezing is in velerlei opzicht.
Laten
we beginnen met de Septuaginta, (ook genoemd de LXX, vanwege de legendarische 70 vertalers, de letterlijke
betekenis van ”Septuaginta”), die tussen circa 250 en 100 voor de gewone jaartelling
in Alexandria
is ontstaan. In eerste instantie was deze vertaling ten behoeve van de grote
groep Griekstalige Joden in Egypte omdat zij namelijk niet meer het Hebreeuws
als moedertaal spraken, maar later was zij ook de standaardbijbel in de hele
Griekse wereld. Vroegere bijbelwetenschappers veronderstelden dat de Septuaginta een vertaling
van de Masoretische tekst geweest zou zijn, maar door nieuwe tekstvondsten gaat
men er nu van uit dat zowel deze oude Griekse vertaling alsook de hedendaagse
Masoretische tekst beiden gebaseerd zijn op nog oudere Hebreeuwse manuscripten
die echter helaas inmiddels verloren zijn gegaan. De Septuaginta was gedurende
de Hellenistische tijd en ook in het Romeinse Rijk de belangrijkste en meest
gebruikte bijbelvertaling bij de joden in de diaspora, maar bezat ook een
zekere autoriteit in Palestina zelf naast de Targum, de Aramese vertaling. Het spreekt voor zich dat de
niet-joodse christenen vanaf het begin gebruik maakten van de Septuaginta, want de
meeste bekeerlingen in de eerste eeuwen waren namelijk Griekstalig. Toch mag
men deze Griekse vertaling beslist niet als een christelijke bijbeluitgave beschouwen,
want de zeventig vertalers van de Septuaginta waren deskundige rabbijnen die reeds eeuwen voor het
ontstaan van het christendom hebben geleefd en derhalve op geen enkele wijze
door latere christelijke opvattingen beïnvloed konden zijn. Het is dus van
groot belang om te weten dat het werkwoord dat de rabbijnen voor de vertaling
van Psalm 22:17 gebruikt hebben geen christelijke corruptie is zoals de boven
geciteerde orthodoxe schrijver beweert, maar een puur Joodse vertaling. De
volledige tekst van vers 17 luidt als volgt:
oti ekuklwsan
me kuneV
polloi sunagwgh ponhreuomenwn
periescon me wruxan ceiraV mou
kai podaV.
oti ekuklōsan me kunes polloi sunagōgē ponēreuomenōn perieschon me ōruxan cheiras mou kai
podas.
Het Griekse werkwoord, wruxan ōruxan betekent "graven" of "doordringen" en kan ook vertaald worden met “doorboren” omdat dit woord in deze context een metaforische omschrijving van een gebeurtenis is, namelijk dat er gaten gemaakt werden in de handen en voeten. Geen leeuw komt er in deze vertaling aan te pas. Vindt u het niet ook zeer opmerkelijk dat zeventig Joodse schriftgeleerden die de Hebreeuwse taal dusdanig goed beheersten dat zij in staat waren om de hele TeNaCH te kunnen vertalen, niet bij machte waren om het woord yrak ka’ari met “als een leeuw” te vertalen en in plaats daarvan een werkwoord gebruikten waarop de meeste huidige christelijke vertalingen gebaseerd zijn? Is dat niet vreemd? Konden zij het woord yrak ka’ari in het Hebreeuwse origineel niet ontcijferen of stond daar misschien een heel ander woord dat er wel enigszins op lijkt? En nu kom ik dus weer terug op de “oe”-klank waar ik het in het vorige hoofdstuk over had. Zoals reeds gezegd verklaarde Ya’aqov Ben Chaim in 1526 dat hij in een aantal van de nauwkeurigste ketiv-teksten het geschreven werkwoord “karu” heeft gevonden, maar als “ka’ari” heeft gelezen. Ik ga er daarom zonder twijfel van uit dat de vertalers van de Septuaginta in de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst ook vrk karu hadden gelezen, dus met de letter v vav, waar nu de letter y yod staat. De v vav aan het einde van vrk karu verwijst naar het meervoudswerkwoord van hrk kara in de derde persoon: “Zij doordrongen”. Omdat er in de Septuaginta gekozen is voor het woord wruxan ōruxan, is er geen reden om te betwijfelen dat de vertalers blijkbaar ervan overtuigd waren dat de correcte lezing van de Hebreeuwse tekst in de archaïsche spelling vrak karu was en niet yrak ka’ari.
Voor alle duidelijkheid: ik wil
niet veronderstellen dat er door de Masoreten opzettelijk hiermee geknoeid zou
zijn om zich van de christelijke claim op deze tekst af te zetten, maar het zou
best nog wel eens kunnen dat de verandering van vrak karu
naar yrak ka’ari tijdens de transcriptie ongewild aangebracht
is door een substitutie van de twee letters y yod
en v vav, die vooral in de handgeschreven tekst veel op
elkaar lijken. Dat is op zich niet zo verwonderlijk, want het gebeurde wel
vaker dat bijbelwetenschappers bij nader onderzoek onbedoelde
schrijffouten van kopiisten constateerden. De Hebreeuwse letters voor de d en
de r, dus de d dalet en de r resh, lijken namelijk ook erg veel op elkaar. Ze blijken meer
dan eens verwisseld te zijn. Datzelfde geldt ook voor de Hebreeuwse letters
voor de k en de b, dus de k kaf en de b bet, alsook voor de h en de ch, dus de h he en de x chet. Voor de betekenis
van een tekst kan de verwisseling van die letters heel wat uitmaken en dat is
ook hier het geval. In vers 17 van deze psalm heeft het minieme verschil
van een centimeter inkt een vuurstorm van controverse aangestoken. Het verschil tussen de letters y yod en v vav is uiterst
klein en omvat niet eens een hele letter, maar de verandering die het in de
tekst teweegbrengt, is bijzonder groot! Deze fout valt overigens ook in het
Grieks eenvoudig te maken in teksten die met hoofdletters en aan elkaar
geschreven zijn, wat in de oudheid gebruikelijk was, zoals u kunt zien bij de
onderstaande tekstvariant:
WSLEWNTASCEIRASMOU os leon tas
cheiras mou [zoals een leeuw mijn handen]
WSDEONTESCEIRASMOU os deontes cheiras mou [zoals het vastbinden
van mijn handen]
Wij zien hier
een soortgelijke verandering van betekenis door het verwisselen van slechts
drie letters, waarvan er twee erg veel op elkaar lijken, alleen de derde wijkt
af. Door het verwisselen van o.a. de L lambda en de D delta
alsook de W omega en de O
omikron verandert dus het zelfstandig
naamwoord “leeuw” in het werkwoord “vastbinden”.
Andere
bronnen
U ziet dus wat een klein streepje allemaal kan veroorzaken. Terwijl alle Joodse vertalingen die gebaseerd zijn op de Masoretische tekst de “leeuw”-variant vasthouden, gaan de christelijke vertalingen doorgaans uit van de “doorboord”-lezing waardoor het nu meer op een Joods-christelijke controverse lijkt terwijl dit verschil van opvatting vanouds een discussiepunt was van Joodse schriftgeleerden onderling. Zo schrijft de vooraanstaande Israëlische Qumran-specialist en Professor Bijbelwetenschap aan de Hebreeuwse Universiteit Emanuel Tov het volgende: „Voor een juiste lezing is dit zeer complex. Het is in elk geval een belangrijk feit dat Septuaginta (LXX) de verbale vorm hanteert, waarschijnlijk ka'aru, en deze vertaling is Joods en niet aangeraakt door christenen. Aquila (Akilas) de meest Joodse van de vertalers heeft eveneens een verbale vorm: zij bonden. De zelfde lezing is gevonden in de psalmenrol van Nachal Chever (niet Qumran), één van de meest Joodse rollen die het meest overeenkomt met de Masoretische Tekst uit de middeleeuwen. Ik denk dat de Masoretische interpretatie met de etnachta onder het woord “hiqifuni” daar eveneens een verbale vorm ondersteunt. Om deze reden is de hele tegenstelling tussen een joodse en een christelijke interpretatie onnatuurlijk, maar het blijft een moeilijk onderwerp.” Zoals Emanuel Tov reeds heeft aangehaald gebruikte ook de grote Joodse vertaler Aquila een verbale vorm, en hij had zeer zeker geen enkel belang bij een rommelen met de vertaling. Volgens Aquila was er zeker geen sprake van een leeuw. De Griekse vertaling van Aquila vermeldt het werkwoord "misvormen”. Hij zegt letterlijk in het Grieks: hscunan ceiraV mou kai podaV mou ēschunan cheiras mou kai podas mou - dit is in het Nederlands: “Zij misvormden mijn handen en voeten.” En de Syro-Hexapla van Aquila zegt letterlijk: ylgrv ydya vrkp - dit is in het Nederlands: ”Zij bonden mijn handen en mijn voeten.” Geen leeuw dus volgens Aquila m.b.t. psalm 22. Symmachus, de bekende Joodse vertaler voor Origenes, zegt letterlijk in het Grieks: oV lewn ceiraV mou kai podaV mou os leon cheiras mou kai podas mou. Dat is in het Nederlands: ”Zoals een leeuw mijn handen en mijn voeten”. Dit is dus letterlijk vertaald vanuit de Masoretische tekst in het Grieks. De Syro-Hexapla van dezelfde Symmachus gebruikt daarentegen wel een werkwoord: ylgrv ydya dcaml ]yib !ya - in het Nederlands is dit: “...te boeien mijn handen en mijn voeten.” Geen leeuw volgens deze versie van Symmachus. De Vulgata, die door Hieronymus rechtstreeks vanuit het Hebreeuws in het Latijn werd vertaald, koos eveneens voor een werkwoord: Circumdederunt me venatores concilium pessimorum vallavit me vinxerunt manus meas et pedes meos - in het Nederlands is dit: “Zij bedwongen mijn handen en mijn voeten”. Hetzelfde werkwoord waarvoor ook de Septuaginta koos vinden wij in een andere versie van deze Latijnse tekst: …me foderunt manus meas et pedes meos. Feitelijk staat hier "ze groeven mijn handen mijn en mijn voeten”, want "fodio" betekent letterlijk “uitgraven”, “opgraven”, maar kan metaforisch ook wel als “doorboren” of “doordringen” gehanteerd worden. In elk geval is er zeer zeker geen sprake van een leeuw. De Targum, de vertaling van de TeNaCH in het Aramees, neemt het zekere voor het onzekere en maakt er een combinatie van beide versies door zowel een werkwoord (bijten) alsook een zelfstandig naamwoord (leeuw) te gebruiken:
ayblkl ]ylytmd ]ybyyx tiyc iy>r
yli vrzxad ,vra lvum
.ylgrv ydya ayrak !yh ]ytkn ynvpqa
]y>yabm t>nyk yiygc
Dit is in het Nederlands: “Omdat de kwaadaardigen mij hebben omringd, die als vele honden zijn, een samenscholing van slechteriken hebben mij omsingeld, in mijn handen en mijn voeten bijtend zoals een leeuw.” Samenvattend kunnen wij concluderen dat de meeste bijbelvertalers, die allen Joods waren met uitzondering van Hieronymus, een werkwoord verkozen boven een zelfstandig naamwoord en de leeuw bij hen niet in de picture kwam.
Bezwaren tegen de
“leeuw”-variant
Ik
blijf dus van mening dat de traditioneel-joodse variant „als een leeuw“
een dubieuze lezing is in velerlei opzicht. Deze zin, zoals die in de
Masoretische tekst staat, lijkt een werkwoord te missen, want de Masoretische
interpunctie, de xnta etnach onder het woord ynvpyqh
hiqifuni, plaatst een eindmarkering achter "omringen
mij". Hierdoor vormt de rest van dit vers een zelfstandige zin die dus
in de Masoretische lezing een werkwoord mist, want "als een leeuw mijn
handen en voeten" is geen volledige zin, ook niet in het Hebreeuws
waar een werkwoord soms weggelaten wordt omdat dit woord vanzelfsprekend al uit
de context zou blijken. Je moet dus een ellips veronderstellen om de zin
compleet te maken. Dat is hier zeer zeker niet het geval, want het blijkt op
geen enkele manier uit de context welk werkwoord hier thuis hoort. De Targum, de zojuist
geciteerde vertaling van de TeNaCH in het Aramees, lost dit probleem op door simpelweg het
werkwoord tkn nechat [bijten] tussen te voegen, dat er in de Hebreeuwse grondtekst helemaal
niet staat. Omdat er dus geen sprake is van een ellips zijn de voorstanders van
de “leeuw”-variant genoodzaakt om een werkwoord naar eigen goeddunken in te
vullen, en iedereen vult uiteraard iets anders in. Als we bijvoorbeeld naar de
Joodse vertaling van Dr. S.I. Mulder gaan kijken, dan lezen wij daar: “als
een leeuw verbrijzelende mijn handen en voeten.” In de Targum staat zoals we net
zagen: “In mijn handen en mijn voeten bijtend
zoals een leeuw.” Eliyahu Silver maakt
ervan ‘Als de leeuw zijn zij aan mijn
handen en voeten.’ Het
Wachttorengenootschap vertaalt het zo: "Als
een leeuw hebben zij het gemunt op mijn handen en mijn voeten" en volgens Gerald Sigal is het: “Als een leeuw knagen
zij aan mijn handen en voeten.” U ziet dus dat er een hele variatie van
gruwelijke dingen wordt verzonnen, die de leeuw met de handen en voeten van
zijn slachtoffer zou doen: bijten, knagen en verbrijzelen. De leeuw heeft het
volgens hen puur op de handen en voeten gemunt, maar dat is zowel taalkundig
als inhoudelijk onjuist, want ten eerste had er dan "leeuwen"
in meervoud moeten staan, net zoals in het eerste gedeelte van dit vers met "honden"
het geval is, en ten tweede gaat dit tegen de natuur in, want voor zover ik
weet heeft geen enkele leeuw het specifiek op de handen en voeten van
zijn prooi gemunt. Voorts wordt deze spelling van het woord "leeuw" yrak ka'ari (die we dus ook in
Numeri 24:9 tegenkomen) twijfelachtiger gemaakt door het feit dat in vers 14 en
22 de zinsnede "als een leeuw" op een andere manier
verschijnt, namelijk hyrak ka'ariye. Het is zeer onwaarschijnlijk dat dezelfde auteur twee
verschillende spellingen van hetzelfde woord binnen enkele verzen van elkaar
gebruikt zou hebben.
De Dode-Zeerollen
Als er één plek is waar men een
onbevooroordeelde bron van Bijbelse informatie kan vinden, dan is dat het
Judese bergland aan de westzijde van de Dode Zee. Tussen 1947 en 1956 zijn in
een aantal grotten in die streek talloze fragmenten van bijbelhandschriften
ontdekt uit de periode van 250 voor tot 130 na de gewone jaartelling. Ze zijn
bekend geworden als de 'Dode-Zeerollen' of 'Qumranrollen'. Gescheiden van de felle debatten tussen
Joden en Christenen, vormen de Dode-Zeerollen een onafhankelijke getuige aan de
Hebreeuwse tekst. Door de vondsten kon de kennis van
diverse aspecten van de Hebreeuwse bijbeltekst enorm toenemen en ons
begrip van het Judaïsme en van het Christendom hervormen. Tot 1947 golden de middeleeuwse handschriften als de
oudste Hebreeuwse bronnen; het enige oudere handschrift was een stuk papyrus
uit de eerste of tweede eeuw voor de gewone jaartelling. Met de publicaties van
de Dode-Zeerollen beschikten bijbelwetenschappers en -vertalers over teksten
die in sommige gevallen wel 1200 jaar ouder waren dan het oudste volledige
handschrift van de TeNaCH uit 1006 na de gewone jaartelling en dan ze zijn zelfs
ouder dan de samenstelling van de thans bekende Hebreeuwse Bijbel! Het spreekt
voor zich dat de waarde van sommige van deze rollen bij de hedendaagse
bijbelstudie zeer groot is. Daardoor konden veel vragen over het kopiëren en
overleveren van de Hebreeuwse bijbeltekst beter worden beantwoord dan voor
1947. De ontdekking van de rollen getuigt van de nauwkeurigheid waarin
de Hebreeuwse Bijbel door de eeuwen heen werd overgeleverd, maar zij neemt ook
notie van een verscheidenheid van tekstuele varianten. Een van de plaatsen waar
de Dode-Zeerollen van de Masoretische Tekst verschillen is in Psalm 22:17. In
het Hebreeuws is dit vers 16. Twee fragmenten die deze tekst bevatten, werden
gevonden in twee afzonderlijke rollen, op enige afstand van elkaar. In het
eerste fragment, dat in Qumran werd gevonden
(4QPs-F; bekend als Qumran MS), bleef het woord
in kwestie helaas niet volledig bewaard. In het tweede fragment, dat in Nachal Chever werd ontdekt (HHev/Se4-Ps; gekend als Bar Kochba MS), is het woord gelukkig wel bewaard
gebleven. Dit fragment toont de Hebreeuwse letters k kaf, a alef,
r
resh en een duidelijke letter v vav. Deze rol, die niet
door de theologische opvattingen aan beide kanten van het debat beinvloed kon
zijn, bevat duidelijk het werkwoord vrak ka'aru en niet het zelfstandig naamwoord yrak ka'ari. In het beschadigde
fragment 4QPs-F, dat in Qumran werd
gevonden, is weliswaar vers 16 ofwel vers 17 aanwezig, maar het woord in
kwestie is zoals gezegd helaas onvolledig. Daarvan zijn jammer genoeg slechts
de letters k kaf en r resh overgebleven, toch
gezien het feit dat de a alef daartussenin ontbreekt, lijkt het zeer
onwaarschijnlijk, dat daar het zelfde woord als in de Masoretische tekst
gestaan zou hebben, namelijk yrak ka'ari, want als men van een leeuw uitgaat, kan men niet om de alef heen. Het is derhalve
realistischer om te veronderstellen dat het woord voluit vrk karu geweest zou moeten
zijn en dat de weggevallen letter achter de kaf en resh geen yod, maar evenals in de andere rol een vav was. Dat betekent dus,
dat in deze twee Dode-Zeerollen beide eerder genoemde spellingen werden
toegepast. Zoals gezegd werd de volledige lezing in kwestie dus niet
gevonden in Qumran, maar in de Psalmenrol van Nachal Chever (5/6HevPs), die tekstueel zeer dicht
bij de Masoretische Tekst is. In regel 12 van kolom 10 lezen wij:
.ylgrv hydy vrak ynvpyqh ,yirm tdi
,yblk ynvbbc yk
“Ki
s’vavuni k’lavim odat m’re’im hiqifuni ka’aru yadai v’rag’lai.”
"Zij hebben mijn handen en voeten doordrongen!”

Midden-alef
Een ijzersterk argument tegen deze lezing denken tegenstanders te hebben in het feit, dat het bewuste woord in het fragment 5/6HevPs geschreven is met een midden-alef, wat volgens hen niet kan omdat het geen deel uitmaakt van de wortel. Zij zijn van mening dat de aanwezigheid van een alef het onmogelijk maakt dat dit woord uit een Hebreeuwse wortel zou voortkomen die geen alef heeft en dat dit zou bewijzen dat de sluit-vav derhalve een sluit-yod zou moeten zijn. De woorden Karu met en zonder alef zijn echter twee varianten van hetzelfde werkwoord kara, maar dan in de derde persoon meervoud. Dat een werkwoord met de drie consonanten k kaf, a alef en r resh, dus rak ka'ar niet voorkomt in woordenboeken van Bijbels Hebreeuws, wil nog niet zeggen dat het woord niet bestaat. Het is dus zonder meer mogelijk dat het werkwoord hrk kara afgeleid is van de wortel rvk kur, die in een archaische vorm geschreven werd met een alef in plaats van een vav, dus rak kar. Gelukkig beschikken wij in de TeNaCH over enkele voorbeelden van werkwoorden waarin een midden-vav inderdaad werd vervangen door een alef. Zo wordt het werkwoord ,vq qum [opstaan] dat officieel met een v vav geschreven wordt, in Hosea 10:14 en Daniël 3:3 en 7:16 met een a alef gespeld zodat we nu te maken hebben met de vreemde combinatie q qof, a alef en , sluit-mem, dus ,aq qam, die wij eveneens niet in de woordenboeken tegenkomen, maar die wel in de bijbel staat. Aan de hand van twee andere voorbeelden zullen we zien dat er soortgelijke woorden zijn met de ene keer een midden-vav en de andere keer een midden-alef en in een soortgelijke onderlinge relatie: rab be'er en rvb bor betekenen allebei kuil of put en dan nod en dvn nod is in beide schrijfwijzen een leren zak. Deze voorbeelden volstaan om aan te tonen dat een midden-alef wel meer voorkomt in vormen die afgeleid zijn van werkwoorden met een midden-vav zoals in deze passage. Zo bestaat wel een redelijke waarschijnlijkheid dat er misschien toch wel een werkwoord kur was dat oorspronkelijk met een vav gespeld was, maar geschreven werd met een a alef, waardoor rak ka'ar ontstond, en door toevoeging van de derde persoon meervoud [zij], die in het Hebreeuws wordt weergegeven met een sluit-yod, hebben we nu het woord vrak ka'aru [zij doordrongen], dat dan een archaïsche spelling was van vrk karu. Bovendien kan deze midden-alef ook duiden op een spelling die Aramese invloeden kent, wat ook bij de woordvarianten ,vq en ,aq het geval is, want in het Aramees komt een alef zowel aan het begin alsook in het midden of aan het eind van een woord heel vaak voor.
Conclusie
Eigenlijk is deze hele discussie overbodig, want of men nu het woord “graven”, “doorgraven”, “doordringen”, “doorsteken” of “doorboren” gebruikt maakt in dit geval helemaal niets uit, want waar het om gaat is het feit dat er gaten gemaakt werden in de handen en voeten en op welke manier dat gebeurde is in deze metaforische omschrijving echt een bijzaak. Zelfs als men de werkwoorden die de voorstanders van de “leeuw”-variant tussenvoegen zou hanteren, dan nog zou dat niets afdoen aan de boodschap, want ook bijten, knagen en verbrijzelen zijn eveneens metaforische omschrijvingen voor dezelfde gebeurtenis. Al deze versies kunnen in principe worden aangehaald als een vervulling van de profetie, want allen geven duidelijk aan dat het slachtoffer beschrijft hoe zijn handen en voeten worden mishandeld en verwond. In elk geval zijn de meeste schriftuitleggers van mening dat het hier om een werkwoord gaat, en zelfs als we in plaats van “doordringen” de alternatieve lezing zouden hanteren dat de handen en voeten “gebonden” of “geboeid” waren, dan nog zou het op de kruisiging van Yeshua toegepast kunnen worden omdat ook het vastbinden van handen en voeten bij het vastspijkeren nawijsbaar heeft plaatsgevonden. Bovendien is ook in dat geval sprake van een werkwoord en niet van een leeuw.
De
lezing van Psalm 22:17 in de Qumran-rol geniet in vele moderne bijbelvertalingen duidelijk de
voorkeur, te meer omdat zij hierbij wordt ondersteund door de Septuaginta. Vandaar dat
ook de nieuwe liberale TeNaCH, een uitgave van de Joodse stichting Sja’ar in samenwerking met
de NBV-uitgevers in het geval van Psalm 22:17 de versie van Nachal Chever verkozen
heeft boven de Masoretische tekst. In deze nieuwe vertaling staat vers 17 als
volgt: “Honden staan om mij heen, een woeste bende sluit mij in, zij hebben
mijn handen en voeten doorboord.” In principe volgt de nieuwe
vertaling de Masoretische tekst, maar in een enkel geval is ervoor gekozen een
variant te vertalen, afkomstig uit andere Hebreeuwse handschriften. Dergelijke
beslissingen zijn in de noten verantwoord. In het geval van Psalm 22:17 staat
in de noot het volgende: “Zij hebben [...] doorboord - Volgens sommige
Hebreeuwse handschriften en de Septuaginta. MT (betekenis van het Hebreeuws onzeker):
‘als een leeuw’.” - Bij de totstandkoming van de tweetalige TeNaCH is onder andere
medewerking verleend door het College van Rabbijnen van het Verbond van
Liberaal-Religieuze Joden in Nederland en de Stichting Hebreeuwse en Jiddische
woorden in het Nederlands. Het was belangrijk voor de acceptatie en het gebruik
van de TeNaCH
dat de rabbijnen hier achterstaan. Onder meer rabbijn David Lilienthal stak zeer
veel tijd in de Hebreeuwse tekst. De plaatsing van de klinker- en
zangpunctuatie moest handmatig, door alle boeken heen, worden gecontroleerd en
gecorrigeerd. Er waren problemen wat betreft bytk
ketiv en yrq qeri, dus wat er staat geschreven en wat er volgens de traditie
moet worden gelezen, maar uiteindelijk werd ook in het geval van Psalm 22:17 gebruik
gemaakt van nieuwe inzichten die te danken zijn aan de bijbelhandschriften van
de Dode-Zeerollen.
Ik wil
deze bijbelstudiereeks over de Messiaanse Psalmen afsluiten met de laatste vijf
verzen van Psalm 22, want hij is gelukkig niet alleen maar de lijdenspsalm
waarin het lijden en sterven van onze Messias Yeshua centraal staat. Het is wel goed om daar een tijd bij stil
te staan, maar Hij bleef niet in het graf! Hij is opgestaan en heeft de
overwinning behaald! Hij is opgevaren naar de hemel, zittende ter rechter hand
van Zijn Vader. En eens zal Hij terugkomen en onze Koning zijn, en daar mogen
wij met blijdschap en een verlangend hart naar uitkijken. Wat een heerlijke
tijd zal dat zijn:
Vers
28-32: “Overal, tot aan de einden der aarde, zal men de Eeuwige gedenken en
zich tot Hem wenden. Voor U zullen zich buigen alle stammen en volken. Want het
koningschap is aan de Eeuwige, Hij heerst over de volken. Wie op aarde in
overvloed leven, zullen aanzitten en zich voor Hem buigen. Ook zullen voor Hem
knielen wie in het graf zijn neergedaald, wie hun leven niet konden behouden.
Een nieuw geslacht zal Hem dienen en aan de kinderen vertellen van Adonai; aan
het volk dat nog geboren moet worden zal het van Zijn gerechtigheid verhalen:
Hij is een G’d van daden.”
Amen!
Werner Stauder